woensdag 28 oktober 2009

Tilar Mazzeo - De weduwe Clicquot (Het medisch weekblad)



Parelende roem

De openingspagina’s van ‘De weduwe Clicquot’ van Tilar Mazzeo lezen als een roman. Barbe-Nicole, die later ‘la grande dame’ van de Champagnestreek zou worden, holt door de straten, waar de Franse Revolutie is losgebarsten. Ze is pas een klein meisje en is op zoek naar een veilig onderkomen. Barbe-Nicoles vader, een succesvol textielproducent in Reims, zit tijdens de Revolutie met de handen in het haar. In zijn hart wil hij de koning trouw blijven maar zijn zakelijk instinct vertelt hem dat hij zich beter aansluit bij de radicalen. Voor de vorm, wel te verstaan.
Meer dan deze snipper is niet bekend over de kinderjaren van de vrouw die aan de wieg stond van de beroemde champagne Veuve Clicquot. De Amerikaanse cultuurhistorica Tilar Mazzeo schreef een elegante biografie over de dame die de champagnewereld voorgoed transformeerde in de 19de eeuw. Over Veuve Clicquot circuleren heel wat mythes. Zo zouden de lage coupes, waaruit men vaak champagne drinkt, gemodelleerd zijn naar haar welgevormde boezem. Of zo zou de weduwe, na de dood van haar echtgenoot, een zwak hebben gehad voor jongere mannen, al liet ze haar bedrijf nooit in gevaar brengen door potentiële aasgieren. Mazzeo vermeldt de anekdotes en legendes, al weet ze niet of er iets van aan is.

Barbe-Nicole huwde met de zoon van een bevriende zakenfamilie. François Clicquot kwam uit een geslacht van textielhandelaren met een passie voor wijn. Ze handelden in wijn, een deel daarvan was lokale schuimwijn. François had een zwakke gezondheid en verviel geregeld in depressies. Na de plotse dood van François bleef Barbe-Nicole, een vrouw van 28 met een dochtertje, alleen achter. Gelukkig had ze een even scherp zakeninstinct als haar vader. Ze besloot om het wijnbedrijf alleen verder te zetten.

De geschiedenis van de drank champagne begint in de 17de eeuw in dorpen als Cumières, Ambonnay en Hautvillers. De wijnkwekers in die regio merkten dat er bubbels in hun product kwamen en ze waren verre van gelukkig met die ontwikkeling. Het bubbelen was het gevolg van klimatologische verschuivingen tijdens de ‘kleine ijstijd’. Het is wel erg ironisch om te bedenken hoe wijnboeren er toen alles aan deden om de bubbels te laten verdwijnen. Ook Dom Pérignon, de zogenaamde ‘vader van de champagne’, was druk in de weer met de ‘ont-bubbeling’. In de 19de eeuw creëerden vroege marketeers de mythe van de monnik die champagne ‘ontdekte’. Het is één van de vele culinaire mythes die op een onwaarheid berust. Zeventiende-eeuwse champagne leek niet op die die wij kennen. Hij was mierzoet en had een lichtkoperachtige kleur, die de Franse omschreven met de term ‘oiel du pedrix’ (patrijzenoog).

Barbe-Nicole leefde in oorlogstijd en ze had het meestal erg moeilijk om haar product te transporteren. Dat gebeurde toen per schip in flessen die nog niet optimaal waren. Gebarsten flessen, slechte temperatuur, handelsembargo’s: het mag een wonder heten dat een deel van haar voorraad in Rusland arriveerde. In de zeventiende eeuw was champagne een goedje voor koningen en keizers. Vanaf de jaren 1820 zette de democratisering in. Russische soldaten die streden in Frankrijk leerden het heerlijke drankje van Mme Clicquot kennen. Na de val van Napoleon zorgde Barbe-Nicole dat haar superchampagne uit 1811 als eerste arriveerde in Rusland, zodat ze daar een monopolie had. Ze slaagde erin en veroorzaakte een echte champagne-hype.

Vrouwen als Barbe-Nicole zijn nog een uitzondering in de wijnwereld, al is de CEO bij Clicquot een vrouw. Barbe-Nicole ontketende een revolutie op gebied van champagneproductie om drie redenen: ze internationaliseerde de markt, ontwierp als eerste etiketten voor de flessen en beschermde op die manier haar merknaam. De derde reden waarom ze de champagnegeschiedenis inging, heeft te maken met het productieproces: ze ontwikkelde de techniek van ‘ remuage sur pupitre’. Dankzij deze techniek, waarbij flessen op een speciale manier gekanteld worden, verdwijnt het bezinksel dat bij het gistingsproces is ontstaan.

Mazzeo mengt biografie met culinaire en culturele geschiedenis. Veel persoonlijke documenten vond ze niet terug. Van Veuve Clicquot zijn vooral veel zakelijke papieren bewaard. Toch weet Mazzeo er een boeiend verhaal van te maken. Haar biografie prikkelt de verbeelding.

Kathy Mathys

maandag 26 oktober 2009

Tilar Mazzeo - De weduwe Clicquot (Bouillon!)


De weduwe Clicquot ***

In de wereld van sprankelende wijnen en champagnes klimmen vrouwen zelden op tot de allerhoogste regionen. Enkel in het champagnehuis van Clicquot heeft een vrouw, Cécile Bonnefond, het momenteel voor het zeggen. Tilar Mazzeo, een Amerikaanse cultuurhistorica met een passie voor de parelende godendrank, verdiepte zich in het leven van ‘La grande dame’ die aan de wieg stond van het Clicquot-imperium. Haar biografie ‘De weduwe Clicquot’ is een elegant en bijzonder boeiend verhaal geworden. Mazzeo blaast de weduwe leven in, zonder zich te bezondigen aan al te veel gefantaseer. De weduwe hield de boekhouding van haar bedrijf heel zorgvuldig bij, maar was zuinig in het neerkrabbelen van haar zielenroerselen. Of misschien gingen haar brieven en dagboeken verloren? Wat er ook van zij, Mazzeo dient zich vaak te beroepen op wendingen als ‘we kunnen ons voorstellen dat’ of ‘ik vermoed dat’. Laten we even naar de feiten kijken. Barbe-Nicole, zoals Mazzeo haar noemt, groeide op in woelige tijden. Tijdens de Franse revolutie bekeerde haar vader, een succesvol textielproducent, zich tot het radicalisme. Hij deed dit enkel voor de vorm en om pragmatische redenen. In hart en nieren zou hij, net als Barbe-Nicole, een conservatief en een katholiek blijven. Barbe-Nicole huwde met François Clicquot, wiens familie al in de wijnhandel zat. François was avontuurlijk aangelegd maar het ontbrak hem aan een scherp zakeninstinct. Na de vroege dood van haar man zou Barbe-Nicole, alleenstaande moeder van een dochter, hun bedrijf verder uitbouwen. De oorlog was vaak haar tegenstander – gesloten havens of boycots bemoeilijkten het transport – en toch werd ze echt succesvol dankzij de val van Napoleon. Russische soldaten in Frankrijk proefden haar heerlijke champagne en vertelden erover in hun thuisland. Napoleon was overigens dol op champagne, al kocht hij het goedje meestal bij de grootste concurrent van Barbe-Nicole, Jean-Rémy Moët. Barbe-Nicole internationaliseerde de markt, werkte als eerste champagneproducent aan de bescherming van haar merknaam en ze was de uitvindster van de ‘remuage sur pupitre’, een proces om de drank vrij te maken van bezinksel. In de tweede helft van de 19de eeuw was champagne niet langer een exclusiviteit voor koningen en keizers. Vanaf toen begon men de term ‘champagne’ te gebruiken, daarvoor had men het over ‘vin mousseux’. De 18de-eeuwse champagne zou voor ons herkenbaar zijn: extreem zoet en bruin-roze gekleurd.
Mazzeo schreef een knappe cultuurgeschiedenis en een fascinerend vrouwenportret. Haar boek toont aan dat Veuve Clicquot op de juiste tijd en de juiste plek was geboren. In de 18de eeuw kon men als middenklassevrouw in een onderneming werken. Na de industriële revolutie wordt dat moeilijk en transformeren familiebedrijven zich tot mannenbastions. Veuve Clicquot leefde in de overgangsfase tussen die twee werelden. Dankzij haar zakelijke genie én haar liefde voor champagne schreef ze geschiedenis.

(KM)

Uitgever: Artemis & co
ISBN: 9789047201281
Prijs: 17,95 €

vrijdag 23 oktober 2009

Interview met Saïd Sayrafiezadeh op Het andere boek 2009

Culinaire chicklit (De Standaard)



Pikante liefdes

Liefdesheldinnen koken er op los deze dagen. Met hun artisjokken en chocoladetaarten betoveren ze hun bedgenoten.

Kathy Mathys

Arme Bridget Jones… Haar oma-onderbroeken zagen er niet uit, haar strijd met overtollige kilo’s was hopeloos en in de keuken was ze een kluns. Herinnert u zich de scène waarin ze haar vrienden blauwe soep serveert? Niet meteen een gerecht om voor te zetten aan potentiële minnaars, laat staan aan Mr Darcy. Nochtans maken niet alle chicklitheldinnen er een boeltje van aan het fornuis. Meer nog, sommigen betoveren hun toekomstige bedgenoten met hun kookkunsten. Giulia Melucci schrijft in haar memoire ‘Liefde, lust en pasta’ (Uniekboek, 2009) hoe ze bij elk nieuw romantisch avontuur bedenkt op welke manier ze het hart van de man in kwestie kan veroveren. Zal hij wegsmelten bij de rigatone met aubergine of bij de spaghetti met rucola en pijnboompitten? Blijkt haar date een ploert die zich na een haastige aperitivo al richting bedstede schiet en van wie ’s ochtends niets rest behalve een afdruk op het hoofdkussen, dan zijn er nog altijd de troostrecepten. Morning after-pompoenbrood is Giulia’s favoriet. Chong Chiwon uit ‘Tong’ (Meulenhoff, 2009) van Jo Kyung-Ran voelt zich na de breuk met haar vriend ‘als een lukraak geknakt spinazieblaadje waar de knapperigheid af is’. Na een druilerige periode vol troostgerechten uit grootmoeders keuken is het tijd voor de wederopstanding én de wraak. Chong Chiwon, een topchef met een indrukwekkend arsenaal aan scherpe messen, gebruikt haar culinaire bevlogenheid om haar ex en diens nieuwe vlam te bestraffen. Hannibal Lecter kan nog wat van haar leren.
Eten en liefde: het blijkt een match made in heaven. Kersverse minnaars kunnen elkaar verleiden met hun kookkunsten en aan het einde van een relatie blijkt eten vaak het enige wat nog troost biedt. Helemaal nieuw is het genre van de culinaire chicklit niet. Denk maar aan ‘Rode rozen en tortilla’s’ van Laura Esquivel, een fel gesmaakte voorloper van romans à la ‘Tong’.

Oeufs en cocotte

Dat koken onze nieuwe religie is en dat heel wat mensen kookboeken lezen zonder de recepten ooit uit te proberen, is bekend. Geen wonder dat kookboeken met een verhaaltje erbij zo geliefd zijn. Toch is er een heel concrete aanleiding voor de stroom aan culinaire chicklit deze dagen: het succes van ‘Julie en Julia’ (2005) van Julie Powell. Uitgevers kopiëren nu eenmaal graag hun verkooptriomfen.
In 2002 is Powell een onbekende kantoorslaaf van bijna dertig met vage schrijfambities. Haar onafgewerkte roman ligt stof te vergaren en na haar dagtaak als secretaresse heeft Powell enkel nog puf voor alcohol en ‘Buffy the Vampire Slayer’. Haar toegewijde en – zo meen ik op te maken uit Powells werk – erg beminnelijke echtgenoot Eric vormt het enige pittige ingrediënt in de grijze brij van haar bestaan. Een groezelig appartement in een lelijke buitenwijk, een helse metrorit naar het werk tussen andere kantoorzombies en een knagende onrust omdat haar biologische klok ongenadig tikt: Powell heeft iets nodig, een hoofdletterproject. Omdat koken haar enige verzetje is, vat ze het plan op om alle recepten uit ‘Mastering the Art of French Cooking’ van Julia Child te bereiden. Het zijn er meer dan 500 en Powell weet dat ze een deadline nodig heeft: 365 dagen. Powell begint een blog over haar kookavontuur. Haar virtuele berichten gaan niet enkel over de ‘onthutsend roze kleur’ van een bieten-aardappelsalade of de geneugten van een boeuf bourguignon, maar ook over Erics haast onmenselijke geduld, de liefdesescapades van vriendin Gwen en de verwijtende telefoontjes van haar neurotische moeder. Uitgevers merken dat Powells blog een hit is en bieden haar een contract aan. ‘Julie en Julia’ is een memoire maar de anekdotes en de teneur zijn pure chicklit. Tussen de recepten voor ‘oeufs en cocotte’ en ‘puree de pommes de terre à l’ail’ door mailen Julia en haar entourage erop los en scheppen ze hun kleine menselijke drama’s. Tussen haar eigen verhalen door brengt Powell een gulle hommage aan de Amerikaanse Julia Child, die in 1948 in Parijs belandde en er haar wereldberoemde kookboek schreef. Ze spiegelt haar verhaal aan dat van Child: twee vrouwen die zichzelf vonden in de keuken.

Duistere minnaar

Van ‘Julie en Julia’ verscheen zopas een nieuwe editie naar aanleiding van de geslaagde verfilming, met Meryl Streep als een zwierige Child. Powell schreef inmiddels een vervolg op haar succesboek, ‘Gebakken lever voor Valentijnsdag’. Ze woont nu in een chique optrekje in Manhattan en is fulltime schrijfster. Toch is de existentiële onrust niet van de baan en Powell begint een affaire met de duistere ‘D’, zoals ze hem noemt. D is een pak hardhandiger dan teddybeer Eric en Powell blijkt de SM-praktijken wel te smaken. ‘Cleaving’ opent na de breuk met D, die ze hartstochtelijk mist. Om haar demonen te bezweren, hakt Powell vlees bij een New Yorkse slager. Erg therapeutisch en metaforisch allemaal. Voor Powell heeft de ontmanteling van dode dieren iets weg van een zen-sessie. Af en toe bekroop me plaatsvervangende schaamte bij de lectuur van Powells egocentrische en extreem exhibionistische schrijfsels. Toch bewijst de Texaanse, meer nog dan in ‘Julie en Julia’, dat ze kan schrijven. De passages over haar relatie met Eric en de ‘slachterij-taferelen’ doen je adem bij momenten stokken. Hoe het voor Eric en Julie afloopt, kan u eind oktober lezen in de Nederlandse vertaling.

U kent haar: van ‘Julie en Julia’, nu verfilmd met Amy Adams en Meryl Streep

Het boek: relatieperikelen met een culinair sausje

Ons oordeel: grappige en smakelijke passages wisselen de schaamteloos exhibitionistische stukken af

**
Julie Powell
Julie en Julia
Vertaald door Annoesjka Oostindiër, Contact, 352 blz., 12,50 €. Oorspronkelijke titel: Julie & Julia. My Year of Cooking Dangerously.

***
Gebakken lever voor Valentijnsdag – Een verhaal over huwelijk, vlees en obsessie, Contact
Oorspronkelijke title: Cleaving – A Story of Marriage, Meat & Obsession. Verschijnt eind oktober.

woensdag 21 oktober 2009

Peter Cameron - De stad waar je tenslotte aankomt (Het medisch weekblad)



Lichtvoetige praatroman

Peter Cameron geniet in de V.S. en in vele Europese landen, waaronder Frankrijk en Duitsland, al enige tijd beroemdheid. Zijn mysterieuze roman ‘The City of Your Final Destination’ wordt opnieuw uitgebracht naar aanleiding van de verfilming door James Ivory.

‘Hoe schreef je een biografie? (…) Het leek onmogelijk. Alsof je vanuit het niets een telefoonboek moest samenstellen.’ De biograaf in kwestie is Omar Razaghi, promovendus aan de Universiteit van Kansas. Hij wil graag een biografie schrijven over auteur Jules Gund, een mysterieuze, overleden figuur die één cultboek schreef. Razaghi meent dat Gunds erven maar wat blij zullen zijn met de belangstelling voor Gunds leven en werk. Razaghi vergist zich en wanneer hij een droge weigeringsbrief in de bus vindt, zit hij in zak en as. Immers, zijn job aan de universiteit is gekoppeld aan het biografieproject. Geen boek, geen job.

Razaghi reist naar Uruguay, waar de erven in het godvergeten Ochos Rios wonen. Hij treft er niet één maar twee weduwen en Gunds broer, die er met zijn minnaar woont. Caroline is Gunds ex-vrouw, die in het huis bleef wonen, nadat Gund zijn minnares bij hen liet intrekken, Arden. Caroline is een New Yorkse die grote kunstwerken naschildert, uit angst voor haar gebrek aan originaliteit. Ze beweert dat Gund haar ooit liet beloven dat er nooit een biografie mocht komen. De plechtstatige, koele Caroline blijkt onbenaderbaar voor Razaghi. Met Arden kan hij wel makkelijk praten. De veel jongere minnares van de literaire godheid is een sprankelende vrouw die al veel te lang alleen is. Dan is er nog Adam, de ironische broer van Gund. Hij zit nooit verlegen om een gevleugelde uitspraak en is aanvankelijk de enige die een biografie een prima plan vindt.

Camerons roman wordt vaak beschreven als een ‘comedy of manners’, maar dat klopt toch niet helemaal. Er hangt mysterie en dromerigheid in de lucht in Uruguay. Daardoor doet dit boek wel wat denken aan ‘A Midsummer Night’s Dream’ van Shakespeare. Razaghi is een aandoenlijk personage dat zich in allerlei moeilijke bochten wringt om zijn project van de grond te krijgen, al heeft hij er eigenlijk steeds minder zin in. Met Deirdre, Razaghi’s vriendin, schept Cameron een neurotisch Amerikaans personage, dat het ritme van het leven in Ochos Rios helemaal niet snapt. Wanneer Deirdre afreist naar Zuid-Amerika neemt de spanning toe. ‘De stad waar je tenslotte aankomt’ heeft knappe, sterk uitgewerkte personages, een tot de verbeelding sprekende setting en vooral knetterende dialogen. Geen wonder dat dit boek verfilmd werd. James Ivory zette er zijn tanden in en de film met Anthony Hopkins (als Adam) ging inmiddels in première.

Peter Cameron woont al twintig jaar in Greenwich Village, New York. Zijn eerste verhaal verscheen in 1983 in The New Yorker. Sindsdien schreef hij romans als ‘The Weekend’, ‘Andorra’ en ‘Someday This Pain Will Be Useful To You’.

Kathy Mathys.

Peter Cameron, De stad waar je tenslotte aankomt, Ailantus, 19,95 €

dinsdag 20 oktober 2009

Up (Leesgoed)



****

Regie: Peter Docter en Bob Peterson (co-regisseur)
Info: V.S., 2009, 96 min.
Leeftijd: vanaf 6 jaar

Wonderbaarlijk is het, zoals Pixar keer op keer weet te verrassen en te betoveren. ‘Up’ heeft niet dezelfde filosofische resonantie als ‘Wall.E’, maar het is evenmin een leuke avonturenfilm over een oude man en een klein jongetje. Of het is in elk geval veel meer dan dat alleen. Kijk maar naar de eerste twintig minuten, die zondermeer verbluffend zijn. Carl Fredricksen is een verlegen jongetje dat droomt van verre einders. In de bioscoop vergaapt hij zich aan de avonturen van ontdekkingsreiziger Charles Muntz, een excentriekeling die in Zuid-Amerika op zoek is naar een welhaast uitgestorven vogel. Carl sluit vriendschap met Ellie, die ook al staat te trappelen om de wereld te verkennen. In de woordeloze sequentie die volgt zien we hoe het Ellie en Carl vergaat: ze trouwen, maken iets moois van hun huis en worden oud. Wanneer Ellie sterft, zijn ze nog niet in Zuid-Amerika geweest. Het is deze sequentie van enkele minuten die je hart doet overslaan en die je ogen even laat tranen. Zoveel perfect gedoseerde emotie in luttele minuten: prachtig.
De bejaarde Carl is een brompot wiens huis dreigt omver geblazen te worden door projectontwikkelaars. Carl knoopt een reuzentros ballonnen aan het dak en vliegt de wijde wereld in, richting Zuid-Amerika. Hij blijkt een metgezegel te hebben, Russell, een padvinder met grote ambities en dromen. Carls aanvankelijke irritatie om de ongenode gast verandert in herkenning en begrip, wanneer hij beseft dat Russell even eenzaam is als hijzelf. De tweede helft van ‘Up’ is minder sterk dan de eerste want dan krijgen we een meer conventionele actiefilm. En toch. De excentrieke Charles Muntz is een grappige, ‘heart of darkness’-achtige figuur die je niet in een cartoon verwacht. De ‘sprekende’ honden zorgen voor een paar hilarische scènes. De animaties van het zeppelin-decor, van het te doorkruisen oerwoud zijn prachtig. En dan is er Russell: een kereltje dat je in het begin van de film op de zenuwen werkt en dat je steeds meer gaat ontroeren. En dat zonder het allemaal breed en sentimenteel uit te smeren. Heel knap.
De animatiestijl is weer heel anders dan in ‘Wall.E’, vlakker, maar wel erg mooi. Voor kinderen valt er net zoveel te beleven als voor hun oudere begeleiders of metgezellen. ‘Up’ is een uitmuntend najaarsgeschenk!

Kathy Mathys

maandag 19 oktober 2009

Adam Haslett - Je bent geen vreemde hier (De Standaard)


Volgende maand komt de debuutroman uit van Adam Haslett. Ik heb grote verwachtingen en blik nog even terug op zijn prachtige kortverhalenbundel van enkele jaren geleden:

Losgeslagen zielen

‘Je bent geen vreemde hier’, het veelbelovende debuut van de Amerikaan Adam Haslett, is een verzameling van negen kortverhalen over dood, afscheid nemen en geestesziekte. Dat de somberte nooit aanleiding geeft tot cynisme is te danken aan Hasletts uitzonderlijk genuanceerde en liefdevolle benadering van zijn droevige personages.

Kathy Mathys

Hasletts verhaal is op zijn minst bijzonder. Een uitgever was zo geraakt door een kortverhaal van de auteur in een literair tijdschrift dat hij hem prompt vroeg zijn studies rechten aan de universiteit van Yale te staken voor een jaar. Haslett stemde in en schreef de overige acht verhalen uit ‘Je bent geen vreemde hier’. Schizofrenen, depressieven, aan aids lijdende homoseksuelen: het is beslist geen pretje om rond te hangen in Hasletts wereld. De meeste personages worden verlaten of dreigen zelf afscheid te moeten nemen van een ander. Dood, ziekte en vervreemding zijn alomtegenwoordig. Opener ‘Aantekeningen voor mijn biograaf’, meteen ook het verhaal waarmee Haslett de aandacht trok van zijn uitgever, begint nochtans exuberant en komisch. De spetterende monoloog van een 73-jarige levensgenieter, die naar Santa Monica trekt om er zijn zoon Graham op te zoeken, staat vol slimme grappen en gevatheden. Geleidelijk aan dringt de ontnuchterende waarheid door tot de lezer: de man is helemaal geen vrolijke bon-vivant maar een manisch-depressieve die het vertikt om zijn medicijnen te slikken. Hij heeft zijn zoon in geen jaren gezien en terwijl hij flessen champagne laat aanrukken die hij zich niet kan veroorloven, doet Graham zijn ontnuchterende verhaal. Hij blijkt de conditie van zijn vader te hebben geërfd maar kan zijn leven in balans houden dankzij de juiste pillen. Hierop zegt zijn vader: ‘Maar het vuur, Graham? Waar is het vuur gebleven?’ Haslett voert nog wel meer figuren ten tonele die weigerachtig staan tegenover medicatie of therapie omdat die hun persoonlijkheid zou wegvegen. In ‘Het einde van de oorlog’ is de zwaar depressieve Paul ervan overtuigd dat ‘deze ervaring iets betekent. Dat de verpletterende mate van detail waarmee hij de materiële wereld ziet geen vertekening is. Dat die er is als je er oog voor hebt’. Het lijkt wel alsof Haslett zich schaart achter zijn opstandelingen die de psychiatrie de rug toe keren. In ieder geval zindert zijn taal veel meer als hij deze losgeslagenen aan het woord laat. Nu eens in hallucinante beelden: ‘Ze deinst achteruit alsof ik een rat op het tapijt heb gegooid’, dan weer poëtisch: ‘Het licht in de kamer stroomt haar ogen in als een stralende dageraad.’
Na het uitzinnige openingsverhaal klinkt de rest van de bundel een heel stuk ingetogener. Hasletts proza is nooit dor maar wel ingehouden. Doordat een groot deel van de verhalen verteld wordt door geesteszieke mensen weet je niet zeker of ze wel de waarheid brengen. Hierdoor gaat van deze vertellingen een vreemde dreiging uit. ‘De goede dokter’ is een uitzondering op de regel want we zien de gebeurtenissen door de ogen van Frank, een dokter die een patiënte opzoekt in het vergeten gat Ewing Falls. Mevrouw Buckholdt kampt sinds de dood van haar zestienjarige zoon met vreselijke angstaanvallen. Tijdens zijn gesprek met haar leert Frank dat ze ook lijdt onder het verstikkende bestaan in een onooglijk dorp, een thematiek die ook opgerakeld wordt in andere verhalen. Ooit studeerde ze nochtans kunstgeschiedenis en had ze grote plannen. De conversatie neemt een vreemde wending wanneer mevrouw Buckholdt ook vragen begint te stellen aan Frank die duidelijk evenveel behoefte heeft aan een gesprek als zijn patiënte. Wanneer ze de dokter bedankt voor een verdere behandeling slaat Frank in paniek omdat hij haar zal verliezen. Deze onverwachte kronkel aan het slot, waarbij de schijnbaar sterkere van twee personages zwakker blijkt dan eerst werd gesuggereerd, is typisch voor de verhalen van Haslett. Niemand heeft een monopolie op de waarheid, niet de zieke of de ontredderde, niet de dokters en zelfs niet de auteur, die meer dan eens zijn verhaal laat uitdoven zonder dat er sprake is van een oplossing of van enig soelaas. In ‘Rouwproces’ kanaliseert een tienerjongen het verdriet om de dood van zijn ouders in een masochistische relatie met één van zijn klasgenoten. Op het einde van het verhaal staat hij voor het raam van zijn ouderlijk huis, bont en blauw geslagen. Dit is ook één van de verhalen waarin homoseksualiteit een rol speelt. Het beste uit de reeks is ‘Hereniging’, over een stervende jongeman die brieven schrijft aan zijn reeds overleden vader. De jongen lijdt aan aids en hij heeft geen hoop op genezing. Geleidelijk aan onttrekt hij zich volledig aan het leven. Hij lijkt bijna in het niets op te lossen en zijn omgeving oogt hem steeds vreemder toe. Al de personages uit dit boek hebben een bijzondere perceptie van de werkelijkheid. In Hasletts visie is schizofrenie op de eerste plaats dan ook een conditie waarbij je de wereld op een andere manier ziet, iets wat net zo goed het geval is voor de kleine Samuel uit ‘Telepathie’. De jongen heeft telepathische gaven en hij voorspelt de dood van zijn geliefde broer, een gebeurtenis die hij misschien nooit meer te boven zal komen. Hij beschrijft hoe hij de wereld ziet ‘alsof hij van de verkeerde kant door een telescoop keek’. Het slotverhaal van deze indrukwekkende verhalenreeks is het ambitieuze ‘De vrijwilliger’. Het is het meest recente uit de bundel en met zijn dubbel vertelperspectief en complexe plotlijnen evolueert het al wat in de richting van het romangenre. Haslett vertelt de parallelle verhalen van Elizabeth, een schizofrene, bejaarde vrouw, en Ted, een tienerjongen die haar soms bezoekjes brengt in de instelling waar ze verblijft. Met dit melancholische verhaal vol ingewikkelde emoties en rijke schakeringen had Haslett zich geen betere afsluiter kunnen dromen.

Adam Haslett, Je bent geen vreemde hier. Vertaald door Else Hoog, Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 207 blz. Oorspronkelijke titel: You’re Not a Stranger Here.